All pastes #790857 Raw Edit

Nijhoff

public text v1 · immutable
·published 2007-11-20 17:16 UTC
rendered paste body
Nijhoff

1. 
Martinus Nijhoff werd in 1894 in Den Haag geboren. Op de middelbare school krijg hij les van een homerusvertaler. Later trouwde hij met zijn jeugdliefde Netty Wind. Hij begon met een studie rechten, die echter onderbroken werd door een periode in het leger. In 1916 verscheen zijn eerste bundel De Wandelaar. Zijn huwelijk met Netty liep op de klippen, ze bleek lesbisch te zijn. Wel bleven ze goed contact houden. Na zijn studie rechten studeerde Nijhoff Nederlasche Taal-en letterkunde. Tijdens deze studie werkte hij voor het ministerie van Onderwijs, Kunsten en wetenschappen. Hij reisde veel, en woonde een tijdje in parijs. Hier ontmoette hij Andre Gide, een schrijver van wie hij ook werk vertaalde. In 1953 overlijd hij.

2.
Vorm:
Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen en heeft omarmend rijm. In regel 1 en 7 is alliteratie te vinden. Daarnaast is er in regel 3 sprake van klinkerrijm.
Inhoud:
Het gedicht gaat over een jongen die samen met zijn vader of moeder naar de wolken kijkt, en zegt wat hij allemaal ziet in de wolken. Zijn moeder moet erom huilen. Hij kijkt daarna niet meer naar de hemel, totdat hij op een keer met zijn eigen zoon in de wei ligt en zelf moet huilen.
Receptie:
Ik denk dat het gedicht aangeeft hoe fijn het is om als kind een fantasie te hebben die je overal op kan los laten, op de vrije loop kan laten. Als je ouder wordt verdwijnt dit, pas wanneer je ouder wordt en zelf kinderen krijgt realiseer je weer hoe mooi die tijd eigenlijk was.

3.
Nijhoff is van mening dat het niet gaat om de inhoud, maar vooral om de vorm. Daardoor zijn zijn gedichten ook vaak volgens strikte regels geschreven, de rijmschema’s kloppen, het metrum klopt.

4.
Anbeek heeft het over de metacommunicatieve functie van taal. Nijhoff vond dit ook erg belangrijk. De taal moet gezien worden als iets met een betekenis op zich. Nijhoff ziet dit net als een perzisch tapijtje. Het gaat om het voorwerp (gedicht) zelf, niet om wie het heeft gemaakt.

5.
Nijhoff vind in tegenstelling tot de tachtigers, dat een dichter niet zijn emoties op papier moet storten, hij moet juist afstand nemen van deze eigen emoties. Het gedicht moet zorgen dat de lezer moet huilen, niet dat de schrijver moet huilen.



6.
Je kan dit zien als: “Er staat voor iedereen wat anders”. Je kan dus als het waren lezen wat je wil lezen. Er staat wat jij er achter wil zien. Je kan dus op je eigen manier interpreteren wat er staat. Een gedicht heeft niet een vaste betekenis.