Hoofdstuk I - De Verdachte
Het was Februari en verdomd heet. 26 graden Celsius in de schaduw, wat een dag! Bloemstengels voerden wulpse dansen uit in de wind, om zo indruk te maken op de coole side-westenwind. Slakjes kropen, vogeltjes floten, spechtjes tokten, en lief huisdiertje miauwde. Bebouwde kommen krioelden met vervelende koters die op straat stonden te spelen.
Helaas zijn er mensen die moeten werken op zo'n dag. Een viertal auto's maakten rare bochten en parkeerden zich voor een gebouw dat op instorten leek. Op het logo stond te lezen: Protoengineering Oriental Enterprise Productions. Een niet veelvoorkomende naam voor een bakkerij. Dit was te wijten aan de eigenaar, Karlos, die gewoon het acroniem P.O.E.P. wou hebben voor zijn broodzaak uit komische overwegingen. De avant-kantoormensen verlieten hun auto's, maakten oppervlakkig sociaal contact met elkaar, en liepen toen somber de bakkerij binnen.
De persoon aan kop, Robbert, had de rest van zijn collega's al overhaald dat het weer een rotdag zou worden. Toch kon niets hen voorbereiden op de anticlimactische gebeurtenis die bij het naar binnen gaan zou volgen. Er lagen dingen op de grond waaronder scherven, bestek, en de morsdode eigenaar van het pand. Jezus wat is Katy Perry kut, dacht Robbert bij zichzelf terwijl hij naar het lijk keek. California Gurls was op de achtergrond aan het spelen. De radio begon automatisch te spelen bij het binnengaan van het pand. Robbert had dit systeem helemaal zelf in elkaar gestoken omdat hij gewoon zo'n handige Harry is. Bij het horen van zo'n trut als Kate Perry vervloekte hij zich zijn eigen handigheid. Hij had liever in stilte brood gekneed. Hij contempleerde over hoe in Afrika les gegeven moet worden over brood kneden, omwille van al die Afrikanen, en hoe hij blij moest zijn met zijn situatie. "Oh hemel, Karlos is dood!" riep hij.
Iedereen aanwezig, op het lijk na, was in schok. Een vrouw baande zich een weg door de rest van de werknemers, gillend: "Karlos! Karlos!! Nee! Karlos!" en meer van dat.
"Sonja. Gaat het nog? Ik wist niet dat je zo gehecht was aan Karlos," probeerde Robbert niet lullig te zijn.
"Hij en ik, hadden, hadden," ze begon vervelend te snikken, "hadden stiekem een relatie. We hielden van elkaar, maar hij wilde niet dat iemand het wist. Ik weet niet waarom." Hierop begon ze luid te huilen.
"Gefeliciteerd," zei Robbert. Sonja keek hem met tranen in haar ogen aan. Robbert grijnsde. "Jij bent nu mijn eerste verdachte."
Hoofdstuk II - Kat en Muis
Zo, nog geen minuut geleden een lijk gevonden en nu al een eerste verdachte. Dat schoot op. Robbert glimlachte tegen zichzelf. Stiekempjes. Hij wilde tenslotte niet verdacht over komen.
Wat nu gedaan? De aanwezigen leken het erover eens te worden om de moord aan te geven bij de politie en die het uit te laten zoeken. Maar zo zat Robbert niet in elkaar. Als handige Harry zei zijn instinct in dit soort situaties “Zelf oplossen (en alle eer opstrijken (en uitbuiten))”. Hij zou hier wel even een stokje voor steken.
“Zeg, luister eens!”, bulderde hij op schappelijk volume. Niemand luisterde. Ze waren allemaal nog overstuur aan het kakelen. Robbert pakte een deegroller en sloeg wat attributen die nog niet hun ondergang hadden gevonden tijdens de moord met veel kabaal stuk. Iedereen keek op. Behalve Kees, die altijd wat slomer was.
“Attentie! Jij ook, Kees! Ik zal deze moord oplossen.”
Toen bedacht hij zich iets. Als hij de anderen vanaf het begin zou betrekken in het onderzoek, zou hij ze misschien wel goed kunnen gebruiken. Ook zou hij ze als het nodig was tegen elkaar uit kunnen spelen, of chanteren. En mocht de politie er lucht van krijgen dat ze een moord verborgen hielden, zou hij wellicht de schuld op een ander kunnen afschuiven.
“Ik bedoel natuurlijk, wij gaan deze moord oplossen.
Ik word hoofdinspecteur Robbert R. Robbertson en jullie zijn mijn hulpjes en tevens verdachten.”
Zonder op antwoord te wachten, draaide hij zich om en begon de ruimte te inspecteren.
“Yup, waarschijnlijk sprake van geweld. Ik denk dat de dader een gewelddadig persoon is die geweld niet schuwt.”
Hij bestudeerde het lijk.
“Ja, dood.”
Hij kuchte.
“Ik heb het hier wel gezien, hulpjes. Vrouwen, maak de kamer maar schoon. Kees, haal een kopje koffie voor me.”
Zonder ze verder een blik waardig te gunnen, keerde hij hen de rug toe en haastte hij zich naar buiten voor nog meer aanwijzingen.
Zijn oog viel op een fleurig busje met de test “Ontlasting & zn. Bloemisterij”. “Die heb ik hier nog niet eerder gezien. Verdacht, verdacht...”
Zo waren er nu al twee verdachten, én een door hem samengesteld eliteteam. Het spel was nu echt begonnen.
Ondertussen gingen Sonja, Kees en de rest achter Robberts rug om naar de politie.
Hoofdstuk III – Hulp uit Onverwachte Hoek
"Er moeten meer aanwijzingen zijn," zei Robbert tegen zijn collega's, die nu gedrogeerd op de vloer van het kantoor lagen. "Nog voor deze dag voorbij is zal ik er achter komen wie van jullie schuldig is."
Hij liep naar een kantoor waar met gouden letters Karlos' naam op was gespeld en lockpickte het slot. Bij het opengaan van de deur rook hij onmiddellijk de distincte geur van goedkope gyros die Karlos altijd om zich heen droeg. Het was een aangenaam kantoortje op die geur na, met op de achtergrond drie boekenkasten en twee grote planten, en daarvoor een eikenhouten bureau. Daarop waren talloze dingen terug te vinden, waaronder een foto van Karlos' moeder in een gouden kader, een presse-papier in de vorm van een grote tepel, en niet onbelangrijk, een bebloed mes dat overeind in het bureau stak. Was het lijk gestoken met een mes, vroeg Robbert zich af. Hij ging terug het lijk verkennen.
Neen, geen steekwonden. Enkel een smeulend gat in zijn voorhoofd. Er kwam dus geen mes aan te pas. Robbert liep terug Karlos' kantoor binnen en smeet het mes zonder het nog een blik te gunnen in een vuilnisbak achter zich. Toen pas zag hij dat er een briefje onder stak. Hij nam het briefje van de tafel. "Woensdag, 2 april, 13:00, 500 euro," las Robbert geconcentreerd. Hij verfrommelde het briefje en smeet het net als het mes in de vuilnisbak achter zich. Was er dan alleen maar rotzooi te vinden hier? In woede smeet hij het bureau voor zich omver, waardoor de foto van Karlos' moeder tegen de vloer uit elkaar spatte.
Robbert nam het plaatje van de vloer. God, wat had die Karlos een lelijke moeder! Echt zo'n pruim met een dikke harige wrat in de buurt van haar neus, en tanden waar je een boot mee zou kunnen gelen. Hij draaide het plaatje om en zag dat er tekst op de achterkant stond. Aanwijzing! Maar voor hij kon lezen wat er stond werd hij afgeleid door een kreunend geluid dat uit de andere ruimte voortkwam. Sonja was aan het bijkomen. Hij naderde haar.
"Wat is er gebeurd?" vroeg Sonja suf. "Ik weet nog dat ik aan het rennen was, en toen werd het opeens... donker."
"Dat gedeelte zal wel zijn toen ik je in de koffer van mijn auto smeet," zei Robbert haar, "Ik heb je teruggehaald nadat je de misdaadscene wilde ontvluchten."
"Hier kom je niet mee weg," zei Sonja enigszins boos. Ze probeerde op te staan maar viel voorover. Toen pas merkte ze dat ze van schouders tot voeten in touwen gewikkeld was.
"Je bent mijn hoofdverdachte," zei Robbert, "Ik neem geen risico's met jou. En nu ga ik terug het kantoor van Karlos verkennen, want ik kan mezelf niet horen nadenken met jij en je gewauwel om me heen."
Nadat Robbert de deur van het kantoor achter zich had dichtgetrokken, zette Sonja haar meesterplan om te ontsnappen in werking. "Help!" riep ze heel luid. "Help!"
Rond haar vijftiende hulpkreet begon ze moedeloos te worden, maar toen gebeurde het onverwachte. De glazen voordeur van de bakkerij zwaaide open, en een klein meisje met een doos koekjes verscheen in de opening.
"Ik hoorde jullie roepen," zei het kleine meisje, "Ik kom jullie redden."
Hoofdstuk IV - Geen Klein Meisje Meer
“Oh, gelukkig”, sprak één der collegae. Niemand had door of dit sarcastisch bedoeld was of niet. Hijzelf wist het misschien ook niet. In ieder geval, het meisje ging verder.
“GoedemorgenikbenBelindaaangenaamhoemaaktuhetgeentijdvoorkoetjesenkalfjes”, zei ze zó snel dat iedereen er aan ging twijfelen of dit wel een gewoon meisje was.
Toen, rustiger, vervolgde ze: “Ik weet wat er aan de hand is. De gemene meneer Robbertson heeft jullie gevangen genomen omdat hij jullie verdenkt van moord. Dat mag niet! Dat is het recht in eigen hand nemen, en dat mag niet. Dat mogen alleen meisjes van acht die Belinda heten en zulke staartjes hebben.” (Ze wees naar haar staartjes.) “Daarom ga ik jullie bevrijden. Wees niet bang, ik heb een plan. Jullie kunnen me vertrouwen. Ik ben immers geen klein meisje meer! Tot straks!”
Ze draaide zich om en rende de deur weer uit.
Robbert hoorde niets van dit alles. Hij was ernstig geconcentreerd op de tekst op de achterkant van het portret. Waarschijnlijk was het geschreven door een al wat ouder persoon, wiens handschrift al jaren de kans had gekregen om te degenereren. Dat, of een analfabeet met parkinson. Robbert was er nog niet helemaal uit. Edoch, met de nodige inspanning kon hij er wel wat uit opmaken. Mompelend las hij het berichtje voor aan zichzelf.
“Als je dit leest, heb je mijn portret open gemaakt, uit elkaar gehaald, stuk laten vallen of anderszins geschonden. Klootzak! Schaam je! Je bloedeigen moedertje. Ik heb alle pijnen van de wereld moeten doorstaan om jouw enorme waterhoofd de wereld in te persen!
Je hebt het zeker open gemaakt om het te gebruiken als lijst voor een sletterige foto van een van je hoerige vriendinnetjes, hè? Respectloos ben je. Niet te vertrouwen.
Ik ben blij dat ik je al bij voorbaat onterft heb.
Liefs,
Mamma”
Robbert herkauwde de woorden. Dit was een belangrijke aanwijzing. Blijkbaar had Karlos een vijand gehad. Zijn eigen moeder nog wel. En één of meerdere hoerige vriendinnetjes die misschien ook aanwijzingen konden geven.
“Ik zou een notitieboekje en een hippe pen moeten hebben om dit alles op te schrijven. Dat wordt prioriteit nummer één.”, zei hij vastberaden.
Hij keek rond of Karlos misschien ergens geld had verborgen in zijn kantoor. Hij had het nu toch niet meer nodig en Robbert kon het goed gebruiken, als leider van het onderzoek. Hij vond honderd euro in een bureaula, na deze te hebben geforceerd met de deegroller.
Gehaast liep hij het kantoortje uit en de bakkerij door. Hij bleef staan in de deuropening waar het kleine meisje niet al te lang geleden door verdwenen was, en keek de bakkerij rond. Ja, zijn collega's kon hij hier wel laten liggen, zo gedrogeerd en vastgebonden.
Zelfverzekerd ging hij op weg naar het winkelcentrum.
Hoofdstuk V – Het is niet al goud wat blinkt
Eenmaal in de boekenhandel was Robbert druk bezig met het uitzoeken van een geschikte pen. Dit was geen gemakkelijke taak. De pen moest zakelijk zijn, maar niet te zakelijk. Hij mocht niet overkomen als een stijve hark. Tegelijkertijd mocht de pen niet te kinderlijk zijn, want hij was een serieuze detective en geen snotjong van vier jaar oud. Het moest bijdragen aan zijn imago, maar hij wist dat een subtiele eigenschap alles kon verpesten. Wat een dilemma.
Terwijl Robbert zich blind zat te staren op het grote assortiment pennen, werd de boekenhandel overvallen door een man met een bivakmuts en een pistool.
"Geef me al jullie boeken, of er vallen hier doden," dreigde de man. "Allemaal op de grond met jullie handen op jullie hoofd. NU!"
Om duidelijk te maken dat hij het meende, vuurde hij een schot af richting het plafond wat een lamp raakte waardoor er glasscherven op de grond vielen.
"Godverdomme, ik kom er niet uit," zei Robbert gefrustreerd.
Hij draaide zich om en zag iedereen op de grond liggen. Hij keek op naar de man met de bivakmuts die inmiddels zijn pistool op Robbert richtte.
"Meneer, u ziet er betrouwbaar uit, zou u me kunnen helpen bij het uitzoeken van een geschikte pen?" vroeg Robbert aan de man met de bivakmuts.
"Nee, in deze boekenhandel vind je geen goede pennen. Als je een goede pen wilt, moet je naar een speciale zaak gaan. Die hebben de beste pennen die de wereld ooit gekend heeft," antwoordde de man.
Robbert dacht na. Aangezien hij zijn taak serieus nam, kon hij niet zomaar één of andere flutpen kopen om tijd te besparen. Wat moesten mensen dan wel niet van hem denken.
Hij wist nu wat hem te doen stond. Hij bedankte de man met de bivakmuts en ging op zoek naar zo'n speciale zaak voor de ultieme pen. Geen andere pen was goed genoeg voor hem.
Hoofdstuk VI - Een Onmogelijke Taak
Anderhalf uur later, en Robbert was niet alleen teruggekomen met een nieuwe pen en clipboard, maar ook volledig gewaad in een Sherlock Holmes-kostuum. Wat verkopen ze tegenwoordig al niet allemaal in zo'n speciaalzaak! Hij parkeerde zijn auto voor de bakkerij, en wat hij zag toen hij daar binnenkwam was al meteen weer een vreemd tafereel. In het centrum van de bakkerij lag een dood achtjarig meisje op de vloer te bloeden. Uit haar schedel kon je een stuk schaar zien emineren. Naast haar lag een doos met verukkelijke koekjes op de grond. Voor de rest was alles vrijwel hetzelfde in de bakkerij. Iedereen was nog steeds vastgebonden, al waren de drugs inmiddels bij iedereen uitgewerkt. Enkel dat kleine meisjeslijkje was een nieuw detail.
"Haar plan om ons te bevrijden was om hier naar binnen te rennen met een schaar om de touwen door te knippen," zei Sonja zacht en toonloos.
Robbert vond het niet fijn dat ze hem uitleg gaf voor iets waar hij niet naar gevraagd had. Waarschijnlijk probeerde ze hiermee de aandacht van Karlos' moord weg te halen naar dit. Robbert was te slim voor dat soort truukjes.
De gebeurtenissen van die dag waren Sonja duidelijk te veel geworden. In haar gezicht was zekere onherstelbare schade af te lezen, alsook haar manier van onbeheersbaar op en neer schommelen in haar touwen. "Ja, zo zijn kinderen," zei Robbert, "idioten tot in de kist."
Hij liep naar het jonge lijkje dat lag te bloeden op de houten vloer, en raapte de doos koekjes daar gelegen op. Die zouden nog van pas kunnen komen als hij besloot zijn verdachten uit te hongeren. Hij richtte zich weer naar zijn vastgebonden collega's.
"De lijken lijken hier gewoon op te stapelen," sprak Robbert tot hen, "Ik kan jullie nog geen anderhalf uurtje alleen laten of het is alweer prijs! En dan nog wel vastgebonden en gedrogeerd! Zijn jullie verdomme Houdini of zo?! Nog voor deze dag voorbij is zal één van jullie geprikt worden door de houten breinaald van gerechtigheid. Ik zal ervoor zorgen."
Omdat zowel Sonja en Kees niet meer leken te reageren op wat hij zei, zowel niet verbaal als non-verbaal, richtte hij zich tot de enige resterende collega. "Dus Michael, waar was jij op het tijdstip van de moord?" vroeg Robbert hem streng aankijkend.
De altijd vriendelijke en negroïde werknemer antwoordde: "Mijn broer zijn bar mitswa, meneer".
"Echt waar?" vroeg Robbert.
"Ja, er zijn heel veel getuigen, meneer," antwoordde Michael.
"Oké dan," zei Robbert, "dan kan jij onmogelijk de moordenaar zijn."
Met dit stukje informatie bleef Sonja dus over als enige verdachte. Robbert wist dat ze daarom wel de dader móest zijn. Hij had alleen geen bewijs, spoor of motief voor haar schuld. De politie proberen overtuigen zou een onmogelijke taak zijn. Zo zou ze er nog mee wegkomen ook! Neen, het recht in handen nemen was de enige oplossing. Zo zou het recht pas écht botvieren. Hij dacht na over een manier om Sonja erin te luizen.
Hoofdstuk VII - Incriminerend Bewijs tegen Sonja
Het zou natuurlijk ook kunnen dat Karlos vermoord was door iemand van buiten het bedrijf, bijvoorbeeld zijn moeder of een van zijn vriendinnetjes, maar ach, je kunt niet overal rekening mee houden. Dat bedacht Robbert zich een fractie van een seconde terwijl hij ijsbeerde door het kantoor van de dode Karlos.
Hoe kon hij het best Sonja's schuld bewijzen? Opeens had hij het. De beelden van de beveiligingscamera! Dat hij daar niet eerder op gekomen was. “Alleen, hoe krijg ik die te pakken?”, mompelde Robbert tegen zichzelf. Werden die hier in de bakkerij ergens opgeslagen? Hij dacht van niet. Het beste plan zou zijn om naar de firma te gaan die de beveiliging van het pand regelde.
Met resolute pas stapte hij de bakkerij in en struikelde bijna over het kinderlijkje. “Kan iemand van jullie die troep even opruimen?”, vroeg hij dreigend doch beleefd. “Ik ben even weg, kinders. Geen gekke dingen doen. Tot zo.” Hij zwaaide even beleefd doch dreigend naar zijn nog steeds hulpeloos vastgebonden op de grond liggende collega's en ging op weg naar het beveiligingsbedrijf.
Hij stapte Michaels auto uit bij gebouw met het bord “Uitwerpsel bv: Beveiliging, bewaking en ondeugend speelgoed” en haastte zich naar binnen. Bij de receptie legde hij kort uit waarvoor hij kwam.
“Maar meneer, wij kunnen niet iedereen toegang geven tot die gegevens”, zei de onaantrekkelijke vrouw achter de balie. “Maar ik ben een detective”, antwoordde Robbert en wees naar de pet van zijn Sherlock Holmes-kostuum. “Nou, ik weet het niet, hoor”, zei ze toen. Dit was alle toestemming die Robbert nodig had. Hij begon het pand te verkennen en opende deuren tot hij uitkwam bij een kamer vol beeldschermen. Weer legde hij kort uit waarvoor hij kwam.
“Maar meneer, wij kunnen niet iedereen toegang geven tot die gegevens”, zei de man met stoppelbaard en overgewicht. “Maar ik ben een detective”, antwoordde Robbert en wees naar de pet van zijn Sherlock Holmes-kostuum. “Nou, vooruit dan maar”, was de respons.
Samen bekeken ze de tape. Toen ze die voldoende bestudeerd hadden, stopte de man hem in de speler en bekeken ze de beelden erop.
Daar was het duidelijk te zien. Omstreeks 4:37 die morgen betraden Karlos en een verdacht figuur dat best wel eens Sonja zou kunnen zijn het pand. Het verdachte figuur droeg een hoed en een lange, allesverhullende jas. Daaronder haalde hij of zij (waarschijnlijk zij, want met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was het natuurlijk Sonja) een groot geweer vandaan. Ze richtte het op Karlos, die angstig achteruit stapte en toen door zijn kop geschoten werd. De langgejaste figuur verdween toen nog even in het kantoortje en verliet daarna snel de scene.
“Aha”, riep Robbert uit.
Hoofdstuk VIII – Zo blind als een vink
De zware man met de stoppelbaard, die na jaren werk geconditioneerd was in slaap te vallen bij het bekijken van de video's, schrok wakker en zei iets over niet slapen tijdens het werk.
Robbert negeerde dit en verklaarde vervolgens zijn eerdere uitroep aan de man. Hij vroeg hem terug te spoelen naar het moment dat de figuur uit het kantoor kwam lopen. Nadat de man dit gedaan had, moest hij het langzaam afspelen en inzoomen op de jaszak van de man. Omdat inzoomen blijkbaar niet mogelijk was, bekeken ze de band zo maar.
Op het punt aangekomen van zijn vorige uitroep, wees Robbert op de jaszak van het figuur. Hieruit stak een bepaald object, wat Robbert op de wazige video alleen kon identificeren als een pistool of een banaan. Omdat de kans dat iemand een pistool in zijn jaszak heeft veel kleiner is dan de kans dat iemand een banaan heeft, nam Robbert voor nu aan dat het een banaan was.
Dit riep meteen nieuwe vragen op. Zo zou de dader mogelijk een getrainde aap zijn. En wat was er gebeurd met de banaan? De schil zou zich waarschijnlijk nog ergens in de omgeving van de bakkerij bevinden.
Omdat al deze mogelijkheden hem verwarden, besloot hij de nieuwe feiten even samen te vatten. De verdachte was dus een figuur met een lange jas, die van bananen houdt. Ook had zij (want het ging immers om Sonja) wat te zoeken in het kantoortje. Hij schreef deze feiten driftig op de achterkant van zijn clipboard, omdat hij vergeten was om papier te kopen.
Op dat moment kwamen er twee dreigend uitziende mannen in nette pakken de kamer binnen. Ze pakten Robbert bij zijn schouders en sleepten hem mee naar een donker kantoor in het gebouw. In dit kantoor, waar ook een aantal monitoren aanwezig waren, stond een lange tafel met aan het eind een man, die er ondanks zijn nette kleding uitgemergeld en onverzorgd uitzag. "We weten waarmee je bezig bent, Robbert," zei de man op een dreigende toon. Robbert, die de man niet herkende, en over zijn pijnlijke schouders wreef, gaf niet direct antwoord. "Wij zouden het... fijn vinden als je ermee ophoudt," vervolgde de man met een bewuste pauze in zijn zin. Robbert, die niet echt begreep waarover de man het had, en een beetje zat te klikken met zijn nieuwe pen, stemde maar in op te houden, en liep vrolijk fluitend het kantoor uit.
Na een tijdje verdwaald rondgelopen te hebben, bereikte hij de uitgang. Toen hij het gebouw uit gelopen was, bedacht hij zich dat hij zijn pen in het donkere kantoor had laten liggen. Omdat hij de pen niet kwijt wilde raken nadat hij zo veel moeite gestoken had in het kopen ervan, draaide zich om en liep terug.
Hoofdstuk IX - De Perfecte Misdaad
Waarom was dit bedrijf zo'n frustrerende doolhof vol gangen en trappen? Nadat hij voor de derde maal bij dezelfde trap uitkwam, besloot hij het maar anders aan te pakken. Allereerst moest hij de ingang van het gebouw terugvinden om zich te kunnen oriënteren. Dit werd gemakkelijk bereikt door langs het raam naar buiten te klimmen, via de afvoerbuis naar beneden te glijden, de waakhond te snel af te zijn, en over de omheining te springen. Daarna was het gewoon een kwestie van lopen naar de voordeur. Kon het nog simpler?
Zo, een neutraal vertrekpunt. Hij liep terug naar het kamertje van eerst, met de onder nachokruimels bedolven werknemer en de monitoren. Als iemand wist waar je iets terug kon vinden in dit pand, was hij het wel. Bij het zonder kloppen opensmijten van de deur zag hij de persoon in kwestie wakkerschrikken. Hierbij viel de frisdrank die op zijn buik gebalanceerd was op de grond.
"Hallo daar beste man," zei Robbert vrolijk.
"Eh, hallo," zei de man terwijl hij met een van zijn vlezig poten door zijn ogen wreef. Robbert keek naar het naamplaatje dat aan zijn blauwe hemd gespeld was. 'Bob' stond erop gekrabbeld in een handschrift waar een kleuter zich voor zou schamen.
"Bob, beste kerel. Jij weet hier toevallig geen kamer in dit pand met een lange houten tafel?" vroeg Robbert, "er was ook een of andere uitgemergelde kerel aanwezig. Oh! En er hing een vreemde citroenachtige geur in de lucht, alsof er juist gepoetst was."
Hij zag Bob verward kijken. "Een vrucht," verduidelijkte hij, "een citroen is een vrucht."
Bob dacht na. "Lange tafel. Lange tafel. Lange ta-fel. Lange... broodjes. Lang broodje... hotdog." Dat ging zo nog even door. Uiteindelijk was hij afgedwaald naar exotische kipsoorten. Toen hervatte hij. "Ja, dat is waarschijnlijk de ondervragingskamer. Direct links. Twee trappen omhoog, derde deur rechts."
"Oeh, dat klinkt verwarrend," zei Robbert. "Ik neem aan dat je me niet even de weg kunt wijzen?"
"Ik kan helaas niet meegaan," antwoordde Bob.
Ja, want dan zou je moeten opstaan, bedacht Robbert zich terwijl hij staarde naar de grootste van de drie sausvlekken op de man zijn hemd.
"Ik bedoel omdat ik de camera's in de gaten moet houden," vulde de man zichzelf aan.
"Daar heb ik alle begrip voor," zei Robbert beleefd.
Eenmaal de ruimte verlaten kon Robbert meteen weer gesnurk horen aan de andere kant van de deur.
Hij liep de eerste trap op. Op de eerste verdieping kon hij uit het raam Michaels auto weggesleept zien worden. Misschien was het niet verstandig die zijdelings over drie gehandicaptenparkeerplaatsen te parkeren. Daarna vervolgde hij zijn missie door de tweede trap op te lopen, en direct naar de derde deur rechts toe te stappen.
"Ondervragingskamer," las Robbert het label op de deur. Geen twijfel mogelijk, dit was de juiste deur. En uiteraard was de deur op slot.
Robbert, lichtjes ongeduldig op dit punt, trapte de deur zonder pardon in. Deze vloog in volle vaart tegen de lange houten tafel op en brak half doormidden. Een kandelaar vol aangestoken kaarsen belandde op de vloer, waardoor heel het vloertapijt onmiddelijk in brand schoot. Robbert nam de pen van de tafel en droeg er zorg voor geen vingerafdrukken achter te laten. De perfecte misdaad.
Terwijl hij een taxi terug naar de bakkerij nam kon hij in de achteruitkijkspiegel het beveiligingsbedrijf tot op de grond zien afbranden.
Hoofdstuk X - De Achtervolging
In de taxi las Robbert zijn aantekeningen nog eens door. De verdachte was mogelijk een getrainde aap, maar zeer, zeer, zéééér waarschijnlijk Sonja. “Ik heb het gevoel dat het einde in zicht komt”, zei Robbert zelfverzekerd. “Nou, dat duurt nog wel even, meneer. We zijn net op weg”, zei de taxichauffeur. “Dat maak ik zelf wel uit.”
Robbert keek nog eens in de achteruitkijkspiegel om te zien of het brandende gebouw nog in zicht was. Dat was het niet, maar Robbert zag wel iets anders dat zijn onmiddellijke aandacht behoefde.
“Zeg chauffeur, weet jij het verschil tussen een kanarie en een aardappel?” “Nee”, zei de chauffeur met een niet al te intelligente grijns op zijn gezicht, “vertel”. “Nou”, zei Robbert, “een kanarie is een klein vogeltje van de familie Fringillidae dat oorspronkelijk van de Canarische eilanden komt en een aardappel is een zetmeelrijke knol van de plant Solanum tuberosum die onder de grond goeit.”
“Aha”, zei de taxichauffeur.
“Ja”, zei Robbert, “en trouwens, we worden achtervolgd door een politiewagen.”
“Oh, dat kan kloppen. Ze achtervolgen me wel vaker als ik mijn belastingformulieren weer eens creatief invul.”
“Hmm. Ik zou me toch veiliger voelen als je zo hard als een gek op de andere rijstrook zou gaan rijden, kris kras door de tegemoetkomende auto's heen, en een onwaarschijnlijke lange omweg zou nemen om ze af te schudden. Gewoon voor de zekerheid.”
“Ok. Klant is koning.”
En zo geschiedde. Robbert en de taxichauffeur schoten als een stel apen op amfetamine door het verkeer, de nodige paniek veroorzakend. Maar paniek was goed. Dan zouden ze lastiger te achtervolgen zijn. En wat bleek? De politieauto deed zijn sirene en zwaailichten aan en maakte het nu wel heel duidelijk dat hij de taxi al die tijd al aan het achtervolgen was. Zo ontstond een wilde achtervolging auf der Autobahn (in de taxi stond Kraftwerk op).
“Trouwens”, zei Robbert, “De Van Dale definieert een kanarie als 'geel vogeltje, populair als huisdier' en een aardappel als 'bep. eetbare knol'.”
“Goh, 't is wat.” De chauffeur wreef even in zijn ogen en gaapte alvorens een tegemoetkomende vrachtwagen op een haar na te ontwijken.
Robbert trommelde op het dashboard mee met de muziek.
Toen ze bijna bij de ingang van de stad waren, viel het Robbert op dat de sirenes al een tijdje weggestorven waren. Zo ongeveer vanaf de derde grote botsing die achter het tweetal had plaatsgevonden. “Ach, driemaal is scheepsrecht”, zei Robbert.
“Wat zegt u?”, vroeg de chauffeur.
“Zet me hier maar af.”
Robbert betaalde de man met een deel van de honderd euro die hij in Karlos' la had gevonden en liep het laatste stukje naar de bakkerij. Onderweg zette hij alles nog eens op een rijtje. “Het lijkt er toch echt op dat Sonja de moordenares is”, zei hij hardop tegen niemand anders dan zichzelf.
(Op zijn terugweg reed de taxichaufeur in een hinderlaag van de politie.)
Hoofdstuk XI – Al draagt een aap een gouden ring...