Johann von Waschmachin was een ietwat vreemde man met een missie. Wat er precies vreemd aan hem was, kon niemand echt benoemen. Hij was gewoon een van die mensen waarvan je na een kort gesprek dacht “Wat een vreemde man”. Of nog eerder, bijvoorbeeld als je hem zag lopen. Of nog eerder, als je enkel zijn naam hoorde. Hij rook trouwens ook een beetje vreemd.
Zijn missie was om een kunstwerk te maken dat volledig bestond uit sinaasappelschillen, appelklokhuizen, bananenschillen en ander fruitafval. Dit ter ere van de god Zatan, een god die misschien weinig volgers had onder normale mensen, maar die door Johann fanatiek werd aanbeden.
Wat trouwens ook raar was, was dat hij een Duits aandoende naam had terwijl hij helemaal niet Duits was!! Oh God (Zatan), de hilariteit. Zijn vader was half Belg, kwart Tibetaan en kwart Griek en kwart Egyptenaar, en was ongeveer 1,25 keer zo groot als een normaal mens, en zijn moeder was lelijk. Hierdoor was Johann ook groot en lelijk, wat hem natuurlijk nog vreemder maakte. Ook rook hij raar, of was dat al genoemd? Nou ja, het is het waard het twee keer te melden.
Als u na deze introductie uw aandacht nog steeds bij het verhaaltje hebt, is het tijd om te beginnen.
Op een goede dag liep Johann zijn huis uit en ging hij op zoek naar fruitafval. Buiten liepen er vele mensen. Johann nam er eentje van de grond.
"Jij daar, fruitafval! FRUIIIIITAFVAAAAAAL!" bulderde hij tegen de man die zat te spartelen tussen zijn klauwen. Opeens zag hij voor zich een houten kraampje met een neger en fruit dat te koop stond. Hij liet de man los, deze ging ten gronde, en liep het fruitkraampje tegemoet. Wat een vreemde man, dacht de losgelatene bij zichzelf.
Johann stond nu voor het kraampje, waar hij lichtjes overheen torende. Hij wees de negroïde verkoper aan. "Jij daar! Fruiiiitafval! FRUITAFVAAALL!" riep hij. Het kraampje bezweek bijna onder zijn drukkende adem. Wat voor mallerd heb ik hier weer voor me staan, bedacht zich de verkoper.