Hoofdstuk I - De Verdachte
Het was Februari en verdomd heet. 26 graden Celsius in de schaduw, wat een dag! Bloemstengels voerden wulpse dansen uit in de wind, om zo indruk te maken op de coole side-westenwind. Slakjes kropen, vogeltjes floten, spechtjes tokten, en lief huisdiertje miauwde. Bebouwde kommen krioelden met vervelende koters die op straat stonden te spelen.
Helaas zijn er mensen die moeten werken op zo'n dag. Een viertal auto's maakten rare bochten en parkeerden zich voor een gebouw dat op instorten leek. Op het logo stond te lezen: Protoengineering Oriental Enterprise Productions. Een niet veelvoorkomende naam voor een bakkerij. Dit was te wijten aan de eigenaar, Karlos, die gewoon het acroniem P.O.E.P. wou hebben voor zijn broodzaak uit komische overwegingen. De avant-kantoormensen verlieten hun auto's, maakten oppervlakkig sociaal contact met elkaar, en liepen toen somber de bakkerij binnen.
De persoon aan kop, Robbert, had de rest van zijn collega's al overhaald dat het weer een rotdag zou worden. Toch kon niets hen voorbereiden op de anticlimactische gebeurtenis die bij het naar binnen gaan zou volgen. Er lagen dingen op de grond waaronder scherven, bestek, en de morsdode eigenaar van het pand. Jezus wat is Katy Perry kut, dacht Robbert bij zichzelf terwijl hij naar het lijk keek. California Gurls was op de achtergrond aan het spelen. De radio begon automatisch te spelen bij het binnengaan van het pand. Robbert had dit systeem helemaal zelf in elkaar gestoken omdat hij gewoon zo'n handige Harry is. Bij het horen van zo'n trut als Kate Perry vervloekte hij zich zijn eigen handigheid. Hij had liever in stilte brood gekneed. Hij contempleerde over hoe in Afrika les gegeven moet worden over brood kneden, omwille van al die Afrikanen, en hoe hij blij moest zijn met zijn situatie. "Oh hemel, Karlos is dood!" riep hij.
Iedereen aanwezig, op het lijk na, was in schok. Een vrouw baande zich een weg door de rest van de werknemers, gillend: "Karlos! Karlos!! Nee! Karlos!" en meer van dat.
"Sonja. Gaat het nog? Ik wist niet dat je zo gehecht was aan Karlos," probeerde Robbert niet lullig te zijn.
"Hij en ik, hadden, hadden," ze begon vervelend te snikken, "hadden stiekem een relatie. We hielden van elkaar, maar hij wilde niet dat iemand het wist. Ik weet niet waarom." Hierop begon ze luid te huilen.
"Gefeliciteerd," zei Robbert. Sonja keek hem met tranen in haar ogen aan. Robbert grijnsde. "Jij bent nu mijn eerste verdachte."
Hoofdstuk II - Kat en Muis
Zo, nog geen minuut geleden een lijk gevonden en nu al een eerste verdachte. Dat schoot op. Robbert glimlachte tegen zichzelf. Stiekempjes. Hij wilde tenslotte niet verdacht over komen.
Wat nu gedaan? De aanwezigen leken het erover eens te worden om de moord aan te geven bij de politie en die het uit te laten zoeken. Maar zo zat Robbert niet in elkaar. Als handige Harry zei zijn instinct in dit soort situaties “Zelf oplossen (en alle eer opstrijken (en uitbuiten))”. Hij zou hier wel even een stokje voor steken.
“Zeg, luister eens!”, bulderde hij op schappelijk volume. Niemand luisterde. Ze waren allemaal nog overstuur aan het kakelen. Robbert pakte een deegroller en sloeg wat attributen die nog niet hun ondergang hadden gevonden tijdens de moord met veel kabaal stuk. Iedereen keek op. Behalve Kees, die altijd wat slomer was.
“Attentie! Jij ook, Kees! Ik zal deze moord oplossen.”
Toen bedacht hij zich iets. Als hij de anderen vanaf het begin zou betrekken in het onderzoek, zou hij ze misschien wel goed kunnen gebruiken. Ook zou hij ze als het nodig was tegen elkaar uit kunnen spelen, of chanteren. En mocht de politie er lucht van krijgen dat ze een moord verborgen hielden, zou hij wellicht de schuld op een ander kunnen afschuiven.
“Ik bedoel natuurlijk, wij gaan deze moord oplossen.
Ik word hoofdinspecteur Robbert R. Robbertson en jullie zijn mijn hulpjes en tevens verdachten.”
Zonder op antwoord te wachten, draaide hij zich om en begon de ruimte te inspecteren.
“Yup, waarschijnlijk sprake van geweld. Ik denk dat de dader een gewelddadig persoon is die geweld niet schuwt.”
Hij bestudeerde het lijk.
“Ja, dood.”
Hij kuchte.
“Ik heb het hier wel gezien, hulpjes. Vrouwen, maak de kamer maar schoon. Kees, haal een kopje koffie voor me.”
Zonder ze verder een blik waardig te gunnen, keerde hij hen de rug toe en haastte hij zich naar buiten voor nog meer aanwijzingen.
Zijn oog viel op een fleurig busje met de test “Ontlasting & zn. Bloemisterij”. “Die heb ik hier nog niet eerder gezien. Verdacht, verdacht...”
Zo waren er nu al twee verdachten, én een door hem samengesteld eliteteam. Het spel was nu echt begonnen.
Ondertussen gingen Sonja, Kees en de rest achter Robberts rug om naar de politie.
Hoofdstuk III – Hulp uit Onverwachte Hoek
"Er moeten meer aanwijzingen zijn," zei Robbert tegen zijn collega's, die nu gedrogeerd op de vloer van het kantoor lagen. "Nog voor deze dag voorbij is zal ik er achter komen wie van jullie schuldig is."
Hij liep naar een kantoor waar met gouden letters Karlos' naam op was gespeld en lockpickte het slot. Bij het opengaan van de deur rook hij onmiddellijk de distincte geur van goedkope gyros die Karlos altijd om zich heen droeg. Het was een aangenaam kantoortje op die geur na, met op de achtergrond drie boekenkasten en twee grote planten, en daarvoor een eikenhouten bureau. Daarop waren talloze dingen terug te vinden, waaronder een foto van Karlos' moeder in een gouden kader, een presse-papier in de vorm van een grote tepel, en niet onbelangrijk, een bebloed mes dat overeind in het bureau stak. Was het lijk gestoken met een mes, vroeg Robbert zich af. Hij ging terug het lijk verkennen.
Neen, geen steekwonden. Enkel een smeulend gat in zijn voorhoofd. Er kwam dus geen mes aan te pas. Robbert liep terug Karlos' kantoor binnen en smeet het mes zonder het nog een blik te gunnen in een vuilnisbak achter zich. Toen pas zag hij dat er een briefje onder stak. Hij nam het briefje van de tafel. "Woensdag, 2 april, 13:00, 500 euro," las Robbert geconcentreerd. Hij verfrommelde het briefje en smeet het net als het mes in de vuilnisbak achter zich. Was er dan alleen maar rotzooi te vinden hier? In woede smeet hij het bureau voor zich omver, waardoor de foto van Karlos' moeder tegen de vloer uit elkaar spatte.
Robbert nam het plaatje van de vloer. God, wat had die Karlos een lelijke moeder! Echt zo'n pruim met een dikke harige wrat in de buurt van haar neus, en tanden waar je een boot mee zou kunnen gelen. Hij draaide het plaatje om en zag dat er tekst op de achterkant stond. Aanwijzing! Maar voor hij kon lezen wat er stond werd hij afgeleid door een kreunend geluid dat uit de andere ruimte voortkwam. Sonja was aan het bijkomen. Hij naderde haar.
"Wat is er gebeurd?" vroeg Sonja suf. "Ik weet nog dat ik aan het rennen was, en toen werd het opeens... donker."
"Dat gedeelte zal wel zijn toen ik je in de koffer van mijn auto smeet," zei Robbert haar, "Ik heb je teruggehaald nadat je de misdaadscene wilde ontvluchten."
"Hier kom je niet mee weg," zei Sonja enigszins boos. Ze probeerde op te staan maar viel voorover. Toen pas merkte ze dat ze van schouders tot voeten in touwen gewikkeld was.
"Je bent mijn hoofdverdachte," zei Robbert, "Ik neem geen risico's met jou. En nu ga ik terug het kantoor van Karlos verkennen, want ik kan mezelf niet horen nadenken met jij en je gewauwel om me heen."
Nadat Robbert de deur van het kantoor achter zich had dichtgetrokken, zette Sonja haar meesterplan om te ontsnappen in werking. "Help!" riep ze heel luid. "Help!"
Rond haar vijftiende hulpkreet begon ze moedeloos te worden, maar toen gebeurde het onverwachte. De glazen voordeur van de bakkerij zwaaide open, en een klein meisje met een doos koekjes verscheen in de opening.
"Ik hoorde jullie roepen," zei het kleine meisje, "Ik kom jullie redden."
Hoofdstuk IV - Geen Klein Meisje Meer
“Oh, gelukkig”, sprak één der collegae. Niemand had door of dit sarcastisch bedoeld was of niet. Hijzelf wist het misschien ook niet. In ieder geval, het meisje ging verder.
“GoedemorgenikbenBelindaaangenaamhoemaaktuhetgeentijdvoorkoetjesen kalfjes”, zei ze zó snel dat iedereen er aan ging twijfelen of dit wel een gewoon meisje was.
Toen, rustiger, vervolgde ze: “Ik weet wat er aan de hand is. De gemene meneer Robbertson heeft jullie gevangen genomen omdat hij jullie verdenkt van moord. Dat mag niet! Dat is het recht in eigen hand nemen, en dat mag niet. Dat mogen alleen meisjes van acht die Belinda heten en zulke staartjes hebben.” (Ze wees naar haar staartjes.) “Daarom ga ik jullie bevrijden. Wees niet bang, ik heb een plan. Jullie kunnen me vertrouwen. Ik ben immers geen klein meisje mees! Tot straks!”
Ze draaide zich om en rende de deur weer uit.
Robbert hoorde niets van dit alles. Hij was ernstig geconcentreerd op de tekst op de achterkant van het portret. Waarschijnlijk was het geschreven door een al wat ouder persoon, wiens handschrift al jaren de kans had gekregen om te degenereren. Dat, of een analfabeet met parkinson. Robbert was er nog niet helemaal uit. Edoch, met de nodige inspanning kon hij er wel wat uit opmaken. Mompelend las hij het berichtje voor aan zichzelf.
“Als je dit leest, heb je mijn portret open gemaakt, uit elkaar gehaald, stuk laten vallen of anderszins geschonden. Klootzak! Schaam je! Je bloedeigen moedertje. Ik heb alle pijnen van de wereld moeten doorstaan om jouw enorme waterhoofd de wereld in te persen!
Je hebt het zeker open gemaakt om het te gebruiken als lijst voor een sletterige foto van een van je hoerige vriendinnetjes, hè? Respectloos ben je. Niet te vertrouwen.
Ik ben blij dat ik je al bij voorbaat onterft heb.
Liefs,
Mamma”
Robbert herkauwde de woorden. Dit was een belangrijke aanwijzing. Blijkbaar had Karlos een vijand gehad. Zijn eigen moeder nog wel. En één of meerdere hoerige vriendinnetjes die misschien ook aanwijzingen konden geven.
“Ik zou een notitieboekje en een hippe pen moeten hebben om dit alles op te schrijven. Dat wordt prioriteit nummer één.”, zei hij vastberaden.
Hij keek rond of Karlos misschien ergens geld had verborgen in zijn kantoor. Hij had het nu toch niet meer nodig en Robbert kon het goed gebruiken, als leider van het onderzoek. Hij vond honderd euro in een bureaula, na deze te hebben geforceerd met de deegroller.
Gehaast liep hij het kantoortje uit en de bakkerij door. Hij bleef staan in de deuropening waar het kleine meisje niet al te lang geleden door verdwenen was, en keek de bakkerij rond. Ja, zijn collega's kon hij hier wel laten liggen, zo gedrogeerd en vastgebonden.
Zelfverzekerd ging hij op weg naar het winkelcentrum.
Hoofdstuk V – Het is niet al goud wat blinkt
Eenmaal in de boekenhandel was Robbert druk bezig met het uitzoeken van een geschikte pen. Dit was geen gemakkelijke taak. De pen moest zakelijk zijn, maar niet te zakelijk. Hij mocht niet overkomen als een stijve hark. Tegelijkertijd mocht de pen niet te kinderlijk zijn, want hij was een serieuze detective en geen snotjong van vier jaar oud. Het moest bijdragen aan zijn imago, maar hij wist dat een subtiele eigenschap alles kon verpesten. Wat een dilemma.
Terwijl Robbert zich blind zat te staren op het grote assortiment pennen, werd de boekenhandel overvallen door een man met een bivakmuts en een pistool.
"Geef me al jullie boeken, of er vallen hier doden," dreigde de man. "Allemaal op de grond met jullie handen op jullie hoofd. NU!"
Om duidelijk te maken dat hij het meende, vuurde hij een schot af richting het plafond wat een lamp raakte waardoor er glasscherven op de grond vielen.
"Godverdomme, ik kom er niet uit," zei Robbert gefrustreerd.
Hij draaide zich om en zag iedereen op de grond liggen. Hij keek op naar de man met de bivakmuts die inmiddels zijn pistool op Robbert richtte.
"Meneer, u ziet er betrouwbaar uit, zou u me kunnen helpen bij het uitzoeken van een geschikte pen?" vroeg Robbert aan de man met de bivakmuts.
"Nee, in deze boekenhandel vind je geen goede pennen. Als je een goede pen wilt, moet je naar een speciale zaak gaan. Die hebben de beste pennen die de wereld ooit gekend heeft," antwoordde de man.
Robbert dacht na. Aangezien hij zijn taak serieus nam, kon hij niet zomaar één of andere flutpen kopen om tijd te besparen. Wat moesten mensen dan wel niet van hem denken.
Hij wist nu wat hem te doen stond. Hij bedankte de man met de bivakmuts en ging op zoek naar zo'n speciale zaak voor de ultieme pen. Geen andere pen was goed genoeg voor hem.
Hoofdstuk VI - Een Onmogelijke Taak